Verslag World Orphan Drug Congress

Auteur: Patrik Claes - Verschenen in NM106, pag. 60-63

Dit najaar kreeg ik een uitnodiging om van 11 tot 13 november naar het World Orphan Drug Congress (WODC) te gaan in Genève. Een jaar eerder ging dit door in Brussel, en  bezocht ik dit congres voor de eerste keer. Toen was het immers lekker dichtbij en kostte het enkel mijn treinticket en werkuren. Deze keer kwamen daar weliswaar een vlucht bij en verblijf ter plaatse, maar dankzij een lagekostenmaatschappij én een verblijfsplaats bij lokale inwoners in plaats van een duur hotel (we willen geen reclame maken ;-)) bevond ik me voor heel weinig geld op één van de meest interessante congressen voor zeldzame ziekten. Het WODC is namelijk een ontmoetingsplaats voor zowel bedrijven, onderzoekers, patiëntenorganisaties als overheidsinstanties. Dat maakt dat alle partijen aanwezig waren die een belangrijke rol spelen in het ontwikkelen én op de markt brengen van de zgn. weesgeneesmiddelen (medicijnen voor zeldzame ziekten ofte weesziekten). Doel van dit soort congressen is naast het verstrekken van informatie dan ook vooral een mogelijkheid bieden om contacten te leggen met de verschillende partijen. Om het met een trendy maar soms negatief beladen woord te zeggen: je kan er uitstekend “netwerken”. Dat heb ik dan ook uitvoerig gedaan. Ik legde zowel contacten met buitenlandse patiëntenorganisaties als met diverse firma’s. Omdat er momenteel heel wat beloftevolle medicijnen in ontwikkeling zijn, is het immers cruciaal om de vinger aan de pols te houden en bronnen dicht bij het onderzoek te kunnen aanspreken. Firma’s als Roche, Biomarin, PTC,… (die bezig zijn met het ontwikkelen van behandelingen voor een aantal spierziekten) zijn op dit congres allemaal aanwezig én aanspreekbaar.

Ook de inhoud van de presentaties op het congres was heel interessant. Het zou ons te ver leiden om een volledig verslag te geven, maar ik licht er toch graag enkele onderwerpen uit.

Tempo van ontwikkeling én haalbaarheid terugbetaling

De laatste jaren is er een exponentiële groei te zien in het aantal goedgekeurde en terugbetaalde wees-geneesmiddelen. Medicijnen met een jaarlijkse kost van meer dan € 200.000 per patiënt doen de vraag rijzen of overheden deze weesgeneesmiddelen wel zal kunnen blijven terugbetalen. Zal het aandeel van weesgeneesmiddelen in de totale kost voor terugbetaling van geneesmiddelen (nu zo’n 3-4 % van alle terugbetalingen) niet zodanig stijgen dat ze een te zware last worden op het gezondsheidsbudget van overheden? Volgens de meeste sprekers is dit niet het geval, en zal het mogelijk blijven om nieuwe weesgeneesmiddelen terug te betalen. Dat is ook ethisch de enige keuze. Simpel gesteld: als we weten dat iemand kan behandeld worden voor een levensbedreigende ziekte, kan je het niet maken om niet te behandelen. Het is misschien niet vol te houden in z'n huidige vorm, maar je kan moeilijk op een gegeven moment zeggen dat er “nu wel voldoende zeldzame ziekten zijn behandeld”. We gaan wel steeds individueler moeten werken. Tegenwoordig zijn er meer kleine projecten waarbij patiënten mee "op de knoppen drukken", en de rol van patiëntenorganisaties wordt steeds belangrijker. Maar ook de academici worden belangrijker. Universiteiten geven hun ontdekkingen nu nog te snel uit handen door hun patenten door te verkopen aan firma’s. De artsen in de ziekenhuizen kennen hun patiënten, ze zouden beter vanuit de universiteit kunnen verder werken tot ze een bewijs kunnen leveren dat hun product werkt. Bedrijven gaan te snel commercieel om met beloftevolle stoffen, en hebben niet het geduld dat universiteiten wel kunnen opbrengen.

Men moet ook eerlijk durven zijn over het effect van een stof: is het slechts een kleine stap vooruit, of een echt genezend product? Bedrijven moeten daarin hun verantwoordelijkheid opnemen, niet enkel een "product in het rek" ontwikkelen, maar ook de patiënt bewust willen opvolgen en steunen. 

Therapieën voor zeldzame ziekten zullen altijd duurder zijn, dat valt niet te ontkennen. Er zullen immers altijd minder patiënten zijn om de kosten van de ontwikkeling mee terug te verdienen. Dat wordt door de overheid ook aanvaard, maar enkel als er transparantie is. Vanuit de industrie zelf hoorde ik dan ook de oproep om als bedrijf eerlijk te zijn over wat je medicijn juist betekent. Daarnaast mag men niet vergeten dat sommige medicijnen kunnen "vermenigvuldigen" in het aantal toepassingsgebieden, waardoor ze goedkoper worden. Een mooi voorbeeld daarvan is de stof Translarna die ontwikkeld werd voor het doorlezen van een zogenaamde nonsens-mutatie. Deze mutaties komen voor in zowel mucoviscidose als in sommige gevallen van de ziekte van Duchenne. De stof is momenteel bijna voor deze ziekten goedgekeurd, maar er zijn nog verschillende andere zeldzame ziekten die ook veroorzaakt worden door een nonsens-mutatie. Als Translarna ook voor deze ziekten wordt goedgekeurd, zal de prijs per patiënt aanzienlijk kunnen dalen omdat de kost van ontwikkeling dan kan verdeeld worden over veel meer patiënten.  

De komende 20 jaar zal er dankzij de medische ontwikkelingen én de mogelijkheden om samen te werken nog een grote stap voorwaarts gezet worden. Tegenwoordig wéten patiënten wat er mogelijk is, en net daarom geraken ze betrokken en versnellen ze de ontwikkelingen. Ook het investeringsklimaat voor bedrijven is momenteel gunstig om ook in zeldzame ziekten te investeren. Er is geen weg terug hoorde ik regelmatig vallen...

Een spreker van de gezondheidsdienst in het Verenigd Koninkrijk nuanceerde dit echter. Hij roept de firma’s op om goed te selecteren welke medicijnen echt een speciale behandeling als weesgeneesmiddel nodig hebben. Wees eerlijk over de kost van een kandidaat-medicijn. Niet veel bedrijven laten echt zien waarom een kandidaat zo'n hoge kost heeft. Het is dan ook geen geheim dat farmabedrijven soms overdreven grote winstmarges rekenen. Mede hierdoor neemt de Engelse overheid de laatste 2 jaar geen beslissing meer, wat erg frustrerend is voor patiënten én bedrijven. In het V.K. is de situatie volgens de overheid financieel niet meer vol te houden. Op individuele basis per zeldzame ziekte is er geen grote impact, maar alle weesgeneesmiddelen die er zitten aan te komen dreigen dat wel te krijgen. Daarom wil men nu geen beslissingen nemen tot er een beter zicht is op de budgettaire impact. Een mogelijk voorstel vanuit de overheid is enkel terugbetaling toestaan als de stof echt blijkt te werken (als de patiënt bepaalde doelen haalt in de behandeling). Dat verplicht de bedrijven om ook realistische voorspellingen te doen. Eventueel kan deze maatregel de eerste twee jaar lopen om vervolgens definitief een ja of een neen te krijgen. De firma Novartis heeft momenteel zélf dit voorstel gedaan bij de overheid voor een van haar medicijnen. Dat betekent uiteraard dat ze er zelf van overtuigd zijn dat hun stof werkt. Ook deze spreker haalde aan dat we als samenleving toch niet kunnen zeggen dat we niet willen betalen omdat jouw ziekte te duur is. Maar hij was dus iets minder optimistisch dan de vorige sprekers. Ik vond deze lezing persoonlijk bijzonder interessant omdat ze de stem van de overheid vertegenwoordigde. Wees er maar zeker van dat ook het RIZIV in België worstelt met dezelfde dilemma’s!

Nieuwe toepassingen voor bestaande medicijnen

Een interessant onderwerp was ook de zogenaamde “drug repurposing” of het inzetten van reeds bestaande medicijnen voor de behandeling van zeldzame ziekten waar ze niet voor bedoeld (of onderzocht) waren. Een van de sprekers over dit onderwerp was Gauthier Bouche van het Anti-kankerfonds. Bij deze internationale organisatie met hoofdzetel in België lopen verschillende klinische trials voor het hergebruiken van bestaande medicijnen bij nieuwe indicaties. Dit is een goed systeem, de onderzochte stoffen zijn immers reeds ontwikkeld en veilig bevonden voor eerdere indicaties. Hierdoor kunnen ze veel sneller ingezet worden bij nieuwe indicaties. Uiteraard moet je dan wel het geluk hebben dat een bestaande stof blijkt te werken voor een zeldzame ziekte waarvoor ze niet ontwikkeld werd. Vaak gaat het hierbij niet om een echt genezend medicijn, maar eerder om ondersteunende medicatie. Klinische trials zijn wel nog altijd nodig om de werking bij nieuwe (wees)ziekten aan te tonen en om de optimale dosissen en alternatieve toedieningswijzen (bv. bij kinderen) te onderzoeken. Deze werkwijze is zelfs mogelijk wanneer er nog een patent op een interessante stof geldt, als er in samenspraak met de eigenaar kan gewerkt worden. Vaak zijn farmabedrijven immers meer dan bereid om een mogelijke uitbreiding van hun patiëntenpopulatie te onderzoeken. Er is zelfs eerder een probleem als het patent verlopen is, want dan is de commerciële interesse niet meer aanwezig. In dat geval moeten de klinische trials gesponsord worden, bv. met steun van patiëntenorganisaties.

Toegang tot medicijn vóór terugbetaling

Veel mensen die vol spanning wachten tot er eindelijk een behandeling is voor hun ziekte en dan vernemen dat er een medicijn in ontwikkeling is, vragen bij de overheid om die stof al te krijgen tijdens de ontwikkeling, dus voor alle klinische testen zijn afgerond. Een begrijpelijke reactie. Op het congres werd echter ingegaan op de risico’s van een te snelle toegang tot een stof die nog in ontwikkeling is. Hoewel er een aantal formules bestaan die vooral afhangen van de “goodwill” van de firma’s zelf, is dit niet steeds aan te raden. De overheden keuren in bepaalde gevallen weliswaar soms een zogenaamd “early access” of “named patient” programma goed waarbij individuele patiënten op basis van de hoogdringendheid en onbehandelbaarheid van hun aandoening al mogen behandeld worden nog voor alle studies of aanvragen voor terugbetaling rond zijn. Dit vormt echter vaak een risico voor de firma's aangezien de groep met "echte patiënten" soms aanzienlijk verschilt van de groep waar de klinische trial (die de werkzaamheid van de stof moet bevestigen) mee gebeurt. De overheid kan dan gebaseerd op de "tegenvallende" resultaten bij deze early access patiënten soms beslissen dat de stof toch niet werkt, terwijl dit komt omdat de patiënten niet tot de meest geschikte groep behoren om de werking van de stof aan te tonen. Zo’n aanvraag tot vervroegde toegang wordt voor een deel ook bepaald door de aandrang waarmee de behandelende arts er achter vraagt, waardoor er soms patiënten toegang krijgen die eigenlijk niet gebaat zijn bij de behandeling. In sommige landen vraagt men bovendien aan de firma om de stof gratis te geven tot de terugbetaling voor alle patiënten is goedgekeurd. Kleine bedrijven kunnen dat vaak niet, grote wel omdat zij het als "goede reclame" zien. Verder kan een definitieve beslissing over de terugbetaling door zo’n “early access programma” soms op de lange baan geschoven worden door de overheid omdat er "toch al toegang is tot de stof". Het moet daarom steeds een overgangsmaatregel zijn. Hoe dan ook is het van het grootste belang dat de patiënt goed geïnformeerd is. Zo gebeurt het in sommige gevallen dat het net de patiënt is die de arts wijst op mogelijkheden. 

Rol patiëntenorganisaties 

Keer op keer hoorde ik ook dat patiënten meer en vroeger in het onderzoek moeten betrokken worden. Ook voor het opstellen van de klinische trials is de mening van patiënten belangrijk. Sommige parameters zijn voor patiënten immers veel belangrijker dan degene die nu gemeten worden als belangrijkste parameter om het succes van een behandeling te meten. Verder zijn sommige adviseurs bij de terugbetalende overheid gewoon niet voldoende op de hoogte van de besproken zeldzame ziekte of de haalbaarheid van hun opmerkingen. Ook hier kunnen patiëntenorganisaties een rol spelen. Stilaan worden er gelukkig meer organisaties gevraagd om in adviescommissies te zetelen. Patiëntengroepen zouden ook meer van bij het begin moeten samenwerken met bedrijven. Zij moeten niet wachten tot bedrijven met een businessmodel afkomen, maar zelf initiatief nemen. Een mooi voorbeeld daarbij was het verhaal van de SMA foundation. Deze stichting had goede contacten met patiënten en academici, en sponsorde met ingezameld geld mee het preklinisch onderzoek dat uitmondde in een beloftevol medicijn voor SMA door PTC Theurapeutics. Omdat de klinische trials die de efficiëntie van de stof moesten bevestigen echter moeilijk opgestart geraakten, drongen zij aan op een samenwerking met de farmareus Roche. Die samenwerking kwam er, en op dit moment zijn ze bij Roche bezig om een volgende, bevestigende klinische fase op te starten, die finaal moet resulteren in een eerste medicijn voor SMA. Als objectief buitenstaander moet ik weliswaar een kleine voetnoot plaatsen bij dit “succesverhaal”. Omdat PTC de middelen niet had, konden ze niet anders dan hun beloftevolle stof uit handen geven. Voor PTC een pijnlijke maar noodzakelijke keuze die ze slechts na veel aarzelen hebben gemaakt. Dat maakt echter dat er voor patiënten kostbare tijd verloren ging. Roche kan het zich als groot bedrijf dan weer permitteren om enkel de "interessante", vaker voorkomende zeldzame ziekten zoals bv. SMA uit te kiezen.

Net daarom moeten patiënten het heft meer in eigen handen nemen. Academici willen immers in de eerste plaats publiceren, terwijl bedrijven een medicijn op de markt willen krijgen om winst te maken. Daarom is het belangrijk om als patiëntenorganisatie te gaan praten met zowel bedrijven als onderzoekers, en de "lijm" te zijn tussen beide. Uiteraard is het ook belangrijk om fondsen te werven en die wijs te investeren. Zo kunnen patiëntenorganisaties bv. bedrijven overtuigen om toch te investeren in een risicovolle (want zeldzame) aandoening door hen al vroeg te ondersteunen bij de ontwikkeling in ruil voor bv. een percent van de aandelen of royalties. De winst voor de patiëntenorganisatie kan dan opnieuw geïnvesteerd worden in andere beloftevolle projecten.

Ook op het vlak van terugbetaling kunnen patiënten een rol spelen, bijvoorbeeld door mee te helpen berekenen wat het effect is van een medicijn op de levenskwaliteit van de patiënt én zijn familie, wat het betekent dat een ouder terug voltijds kan gaan werken, i.p.v. enkel naar de kost te zien.

Tenslotte is in sommige gevallen de rol van patiëntenorganisaties cruciaal in zowel het verzamelen van patiëntenstalen als het bijhouden van een patiëntendatabase. Beide zijn onontbeerlijk voor het basisonderzoek en het vinden van deelnemers voor klinische studies. Voor spierziekten wordt deze rol in België grotendeels opgenomen door de neuromusculaire referentiecentra, die er weliswaar gekomen zijn onder impuls van Nema en onze Waalse zustervereniging ABMM

Conclusies

Als me iets is bijgebleven van dit congres, is het toch wel dat patiëntenorganisaties weldegelijk een rol kunnen spelen bij het ontwikkelen van nieuwe medicijnen. In sommige gevallen zijn ze zelfs de kritische succesfactor. Ik ben er na dit congres in ieder geval van doordrongen dat we niet aan de zijlijn moeten wachten tot er een nieuw medicijn “uit de lucht valt”, maar actief op zoek moeten gaan naar mogelijkheden, en onze stem moeten laten horen bij zowel de onderzoekers, de bedrijven als de overheden.

En verder … wacht mij de taak om de karrenvracht aan adreskaartjes die ik meenam uit Genève zo optimaal mogelijk te benutten de komende periode!

WODC 2016

Misschien nog even meegeven dat het congres in 2016 opnieuw doorgaat in … Brussel! Wie na het lezen van dit verslag zin heeft gekregen om mij te vergezellen van 15 tot 17 november 2016, mag gerust met mij contact opnemen via patrik.claes@nema.be, het is een buitenkans…